Zelf leren Vliegen

De zweefvliegopleiding begint op een tweezitter. Dubbel Besturings Onderricht (DBO) heet dat. Jij zit voorin, de instructeur zit achterin en beide hebben dezelfde stuurorganen die met elkaar verbonden zijn. Er wordt eerst een kennismakingsvlucht gemaakt waarbij je kan wennen aan 'het in de lucht zijn'. Daarna word je beginselen van het vliegen bijgebracht; werking stuurorganen, snelheidscontrole, rechtlijnige vlucht en uiteindelijk de bochten. Het starten en daarna het landen wordt geleerd evenals het circuit, een route die gevlogen wordt voor het landen. Er worden noodprocedures geleerd. En uiteindelijk wordt je na ca. 50 รก 80 starts voor het eerst alleen de lucht in gestuurd: dan ga je SOLO. Daarmee is dan de elementaire vliegopleiding afgerond.

Zweefvliegbewijs

Dan volgt de voortgezette vliegopleiding. De bedoeling hiervan is om je op te leiden tot zweefvliegbewijshouder. Het zweefvliegbewijs (ZVB) is te vergelijken met het autorijbewijs. Pas als je in het bezit bent van het ZVB mag je zelfstandig vliegen, dat wil zeggen: zonder een instructeur die verantwoordelijk voor je is. Voor dit ZVB moet zowel een praktisch als een theoretisch examen worden afgelegd. Tegen de tijd dat je je serieus met het halen van je ZVB bezig houdt ben je meestal al ruim een jaartje verder.

Maar ook na het behalen van het ZVB is de opleiding nog niet voorbij. Tijdens de elementaire en voortgezette opleiding heb je meestal al een beetje leren thermiekvliegen (= gebruik maken van warmere opstijgende lucht om hoogte te winnen). Als je dit beheerst kun je beginnen met 'overland' vliegen, van het ene vliegveld naar het andere. Als je voldoende ervaring hebt kun je op steeds geavanceerdere toestellen gaan vliegen en uiteindelijk ook hiermee overland gaan. Het duurt echter zeker een paar jaar voordat dat zover is en ook dan zijn de mogelijkheden onbegrensd: wedstrijdvliegen, bergvliegen, hellingvliegen. Het leuke is dat elke vlucht weer anders is.

foto: Rens van Waardenberg