Thermiekvliegen

Wanneer een vliegtuig aan het cirkelen is, heeft het waarschijnlijk thermiek gevonden. Thermiek is het 'opstijgen van warme lucht'.  

De zon verwarmt de aarde, die niet homogeen van samenstelling is, denk aan zand of kleigrond. Hoe minder vocht de bodem bevat, hoe sneller de bodem en de lucht erboven opwarmt. De warmere lucht boven de grond stijgt op (convectie). Er ontstaat dan thermiek, of ook wel thermiekbellen genoemd. Hierin kunnen zweefvliegtuigen (en vogels) al cirkelend hoogte winnen om met de gewonnen hoogte grote afstanden af te kunnen leggen. Op uitzonderlijk goede dagen kunnen we op Terlet en andere velden, hoogten bereiken van wel 2500 meter.

De stijgsnelheid van luchtbellen wordt bepaald door het temperatuurverschil tussen de lucht in de bel en de omgevingslucht. Hoe groter dit verschil, hoe groter de stijgsnelheid zal zijn. De waarden kunnen uiteenlopen van enkele meters per seconde tot meer dan 10 m/s. Zeer grote stijgsnelheden komen vooral voor in de buurt van buien en kunnen gevaarlijk zijn mede door de ook aanwezige daalstromen.

Als de lucht vochtig genoeg is, zullen door thermiek stapelwolken (cumulus) ontstaan. Deze wolken zijn dus een goede 'aanwijzer' van waar de thermiek zich bevindt. Deze weersomstandigheden hebben we dan ook het liefst.

Thermiek kun je in principe niet zien, je kunt het wel voelen wanneer je er in vliegt. Als hulpmiddel hebben we een instrument dat aangeeft of je stijgt of daalt (variometer). Ervaren vliegers kunnen de plaats van thermiek vaak inschatten aan de hand van het landschap.