| Datum | 11 maart
1991 |
| Vak | Instrumenten |
| Vragen | 6 vragen |
| Tijd | 45 minuten |
| Bevoegdheid | Zweefvliegtechnicus A |
1. Algemeen
- a. Welke eisen worden aan een vliegtuiginstrument gesteld?
- b. Wat verstaat men onder het ijken van een drukhoogtemeter?
2. Hoogtemeter
- a. Wat wordt bedoeld met de afkortingen QFE, QNH, QNE?
- b. Wat wijst het instrument aan op veldhoogte als de subscale
is ingesteld op resp. QFE, QNH, QNE?
3. Snelheidsmeter
- a. Teken een eenvoudig schema, geef hierin aan welke drukken
het instrument toegevoerd krijgt en verklaar hoe hier de snelheid
bepaald kan worden.
- b. Waardoor is er verschil tussen werkelijke en aangewezen
luchtsnelheid?
4. Vloeistofkompas
- a. Wat is de toelaatbare afwijking van het instrument?
- b. Waardoor kan de aanwijzing ongunstig worden beinvloed?
- c. Wat wordt verstaan onder deviatie, inclinatie en variatie?
5. Stijg- en daalsnelheidsmeter
- a. Beschrijf de werking van het stuwschijftype.
- b. Wat verstaat men onder TA compensatie en hoe kan dit zijn
uitgevoerd?
6. Gyroscopische instrumenten
- a. Hoe is de stand van de tolas bij een bochtaanwijzer en
een kunstmatige horizon?
- b. Wat is de invloed op de aanwijzing van een bochtaanwijzer
bij verhoogd toerental?
- c. Waarom is in een kunstmatige horizon een richtmiddel nodig?
Overige beschikbare vakken van dit examen: Vliegtuigen,
Electrische installaties.
Terug naar examen opgaven ZVT A examen info