| Datum | 26 maart
1999 |
| Vak | Instrumenten |
| Vragen | 7 vragen |
| Tijd | 45 minuten |
| Bevoegdheid | Zweefvliegtechnicus A |
1. Algemeen
- a. Noem 5 oorzaken voor miswijzing van vliegtuiginstrumentatie.
- b. Verklaar de begrippen:
- parallax
- tolerantie
- ijken
2. Pitot- en statische systemen
- a. Wat wordt verstaan onder:
- stuwdruk
- statische druk
- totale druk
en door welke elementen van het systeem worden deze drukken gemente.
- b. Hoe voorkomt men een foutieve drukmeting welke veroorzaakt wordt door het
gieren van het vliegtuig.
- c. Wanneer moet een lektest worden uitgevoerd?
- d. Beschrijf de uitvoering van de lektest.
3. Hoogtemeter
- a. Teken het inwendige van een hoogtemeter.
- b. Stel dat het membraan in de hoogtemeter lek raakt, wat zal dan het gevolg zijn voor
de aanwijzing?
- c. Wat is de reden van de QNH- in plaats van de QFE instelling tijdens een overland
vlucht.
4. Snelheidsmeter
- a. Wat betekenen de volgende begrippen en waar worden ze voor gebruikt.
- b. De vlieger merkt dat bij alle vliegstanden de indicatie het zelfde blijft. Wat kan
hiervan de oorzaak zijn.
5. Variometer
- a. Teken het inwendige van de stuwschijfvariometer en verklaar de werking.
6. Kompas
- a. Hoe worden de gevolgen van de inclinatie op de kompasroos zoveel mogelijk voorkomen.
- b. Wat verstaat men onder A, B en C fouten.
7. Gyroscopische instrumenten
- a. Welk instrument maakt gebruik van een:
- Half cardanisch opgehangen tol
- Vol cardanisch opgehangen tol
- b. Van welke eigenschap wordt voornamelijk gebruik gemaakt bij een halfcardanisch
opgehangen tol.
Overige beschikbare vakken van dit examen: Vliegtuigen,
Electrische installaties.
Terug naar examen opgaven ZVT A examen info