| Datum | 1 april
1996 |
| Vak | Instrumenten |
| Vragen | 6 vragen |
| Tijd | 45 minuten |
| Bevoegdheid | Zweefvliegtechnicus A |
1. Algemeen
- a. Welke drukken worden gemeten door het pitot-statisch systeem?
- b. Wat verstaat u onder de positiefout?
2. Hoogtemeter
- a. Hoe voert u een drukstandcontrole uit en hoe groot mag
die fout zijn?
- b. U vliegt van A (10 graden Oost) naar B (20 graden Oost).
Wanneer uw hoogtemeter boven B 4400 meter aanwijst, is uw werkelijke
vlieghoogte dan groter, gelijk of kleiner dan 400 meter? (verklaar
uw antwoord)
3. Snelheidsmeter
- a. Wat verstaat men onder stuwdruk en toon aan, dat de grootte
van deze druk een maat is voor de snelheid.
- b. Wat is het verschil tussen aangewezen en werkelijke snelheid?
4. Variometer
- Beschrijf aan de hand van een aansluitschema de werking van
een stuwschijfvariometer met T.E. compensatie
5. Bolkompas
- a. Wat verstaat u onder inclinatie, variatie en deviatie?
- b. Welke compasfouten kent u en waardoor worden ze veroorzaakt?
6. Gyroscopische instrumenten
- a. Wat meet een bochtaanwijzer en om welke as?
- b. Van welke gyroscopische eigenschap maakt de kunstmatige
horizon gebruik?
- c. Wat verstaat u onder schijnbare druk?
Overige beschikbare vakken van dit examen: Vliegtuigen,
Electrische installaties.
Terug naar examen opgaven ZVT A examen info