|
1. Benoem de twee belangrijkste gevaren van een (te) achterlijk liggend zwaartepunt in een vliegtuig.
2. De profiel en geinduceerde weerstanden hebben elk een eigen relatie met de vliegsnelheid. Benoem deze twee en geef in een schets dit weer.
3. Schets een Polaire diagram van een zweefvliegtuig geef aan:
4. Een vliegtuig heeft een overtreksnelheid van 72 km/uur en een totaal gewicht van 250kg. Het gewicht wordt met behulp van water verhoogd naar 360 kg. Wat wordt de nieuwe overtreksnelheid?
5. Welke lijmsoorten zijn in de zweefvliegtuigbouw toegestaan bij:
6. Welke soorten triplex zijn er en uit hoeveel lagen worden ze opgebouwd en hoe worden ze georienteerd. Van welke houtsoort is vliegtuigtriplex meestal vervaardigd?
7. Wat wordt onder afschuiving verstaan en geef hiervan een voorbeeld bij een verlijmde constructie
8. Wat is het verschil tussen ijzer en staal en wat tussen ongelegeerd en gelegeerd staal.
9. Wat verstaat u onder:
10. Welke vezelvolume percentage wordt veelal toegepast bij het verwerken van hars en glasvezel materiaal?
11. Geef in een schets aan hoe de differentiele rolroeruitslag tot stand komt.
12. Waarvoor dient deze differentiele werking bij rolroeren?
13. Geef in een duidelijke schets aan hoe de vergrendeling van een intrekbaar wiel zou kunnen plaats vinden?
14. Geef in een principe schets aan hoe een klassieke zweefvliegtuig vleugel en een GVK semi-schaalvleugel zijn geconstrueerd. Hoe wordt in deze twee gevallen de buig- en torsiemomenten door de constructie opgenomen?
15. Schets drie verschillende uitvoeringen van rolroer en remklep aansluiting, ter plaatse van de romp-vleugelovergang en verklaar de werking.
Overige beschikbare vakken van dit examen: Instrumenten, Electrische installaties. Voorschriften,
Terug naar examen opgaven ZVT A examen info